Plant of planten: een woord voor groei en handeling
Een plant is een levend wezen dat zijn voedsel maakt met zonlicht, zoals een boom of een bloem. Als werkwoord staat planten voor 'in de grond zetten'.
Een plant is een levend organisme dat zijn energie uit zonlicht haalt. Het woord komt van het Latijnse *planta*, dat 'scheut' en ook 'voetzool' betekende: iets wat in de aarde wordt gezet. In de tuin zie je bloemen en struiken, maar ook groenten en bomen zijn planten.
- Een groeiend organisme. *Een kamerplant verzorgen.*
- Een kleine kiem die je poot. *Tomatenplantjes kopen.*
- Als werkwoord: in de grond zetten. *Zij plant een boom.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Enkelvoud | de plant | een groene plant |
| Meervoud | planten | kamerplanten |
| Verkleinwoord | het plantje | een plantje op de vensterbank |
| Infinitief | planten | een boom planten |
| Verleden tijd | plantte | hij plantte het zaadje |
Zo gebruik je het
- Ik geef elke ochtend mijn planten water.Alledaags gebruik.
- Hij plantte een kersenboom in de tuin.Werkwoord: plantte, geplant.
- Deze plant heeft veel licht nodig.Alledaags advies over verzorging.
Plant en gewas
Een plant is elk levend plantaardig wezen. Een gewas is een plant die wordt geteeld, bijvoorbeeld graan of aardappelen. Onkruid is dus een plant maar geen gewas. Het voltooid deelwoord van het werkwoord is *geplant*: de stam *plant* eindigt op een t, dus de verleden tijd is *plantte*. Wie een kamerplant verplaatst, *verpot* hem. Wie iets ontkiemen wil, moet eerst een zaad in de aarde leggen.
Wat is het verschil tussen een plant en een boom?
Een boom is een plant, maar dan met een houtige stam en meestal groter.
Hoe vervoeg je planten?
Ik plant, hij plantte, we hebben geplant.