Fiets, velo of rijwiel? Een woord met een onzekere herkomst
Een fiets is een voertuig met twee wielen dat je met trapbewegingen aandrijft. Het woord kent een eigen reeks samenstellingen, van racefiets tot ligfiets.
Een fiets is een rijwiel met twee wielen, een stuur en pedalen. In Nederland zijn er meer fietsen dan inwoners, en het woord is daardoor bijna een nationaal symbool geworden. Het is een kort, eenvoudig woord dat je niet snel verkeerd schrijft.
- Voertuig op twee wielen. *Ik ga met de fiets naar school.*
- Werkwoord fietsen: je met zo'n voertuig verplaatsen. *Ze fietst elke dag twintig kilometer.*
- Als samenstelling: *racefiets, stadsfiets, bakfiets, elektrische fiets.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de fiets | De-woord. |
| Meervoud | fietsen | Alle fietsen staan buiten. |
| Verkleinwoord | fietsje | Een fietsje voor de kleinste. |
| Voltooid deelwoord | gefietst | Hij is naar huis gefietst. |
| Hulpwerkwoord | hebben of zijn | Zonder doel: heeft gefietst; met richting: is gefietst. |
Fiets in een zin
- Mag ik jouw fiets even lenen?Gewone spreektaal; je zegt ook rijwiel in officiële stukken.
- We hebben vandaag drie uur gefietst.Hebben omdat het om de activiteit gaat.
- Zij is in een kwartier naar het station gefietst.Zijn bij een richting of bestemming.
Herkomst en regionale verschillen
Waar fiets vandaan komt, is niet zeker. Sommigen denken aan een vervorming van *vélocipède*, anderen aan een dialectwoord. In Vlaanderen gebruik je naast fiets ook *velo*, vooral in de omgang en in samenstellingen als *koersfiets*. Het wiel draait door trappen, en dat verklaart ook de vele uitdrukkingen zoals *op de fiets stappen*.
Zeg je de fiets of het fiets?
Altijd de fiets. Het is een de-woord in alle regio's.
Gebruik je hebben of zijn bij fietsen?
Zonder richting hebben, met bestemming zijn: ik heb gefietst, ik ben naar Utrecht gefietst.