Uur: zestig minuten en de verwarrende klok
Een uur is een tijdseenheid van zestig minuten. Het woord betekent ook het tijdstip op de klok, zoals 'het is twee uur'.
Een uur bestaat uit zestig minuten en is een van de bekendste tijdseenheden. Voor Engelstaligen is 'half drie' verwarrend: het is 2.30 uur, niet 3.30 uur. In het Nederlands wijst 'half' naar het volgende hele uur.
- Tijdseenheid van zestig minuten. *Het duurt een uur.*
- Tijdstip op de klok. *Het is drie uur.*
- Les of periode. *Het eerste uur is wiskunde.*
- Het uur der waarheid. *Nu komt het uur der waarheid.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het uur | Het uur is om. |
| Meervoud | uren | Twee uren. |
| Verkleinwoord | uurtje | Een uurtje wandelen. |
| Samenstelling | werkuur, halfuur | Een halfuur wachten. |
| Verwant | tijd | Wat is het voor tijd? |
Zo gebruik je het in een zin
- De vergadering duurt twee uur.Gewone tijdsduur.
- We zien elkaar om half drie.Dit is 2.30 uur, niet 3.30 uur.
- Wacht even, het is nog maar een uurtje.Verkleinwoord, vriendelijk.
Half drie en drie uur
Het Nederlandse half drie is een bekende valkuil voor Engelstaligen: het is 2.30 uur, een half uur vóór drie. Een halfuur schrijf je aan elkaar als zelfstandig naamwoord, al kan 'een half uur' ook los. Een minuut is een zestigste van een uur.
Is het uur of uren?
Na een telwoord blijft het enkelvoud: twee uur. Zonder telwoord gebruik je 'uren': ik heb urenlang gewacht.
Hoe schrijf je 14.30 uur?
In Nederland als 14.30 uur, in Vlaanderen ook vaak als 14u30; in lopende tekst schrijf je liever 'half drie'.