Stam: boomstam, volk en de stam van het werkwoord
Een stam is de dikke houtige stengel van een boom, een volk of een groep mensen met dezelfde afkomst, of het kernstuk van een woord.
Een stam is de steun van een boom, een volk en een woord. De stam van een werkwoord is het kleine kernstuk waar je de -t aan toevoegt voor hij of zij. Zo is stam een van de meest bruikbare woorden voor leerders van het Nederlands. Verwant zijn volk en wortel.
- Houtige hoofdstengel van een boom. *De stam van de eik is dik.*
- Volk of groep met dezelfde afkomst. *Een inheemse stam in Afrika.*
- Kernstuk van een woord. *De stam van lopen is loop.*
- Vaste klant (stamgast). *Hij is stamgast in het café.*
Vormen
| Kenmerk | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de stam | De stam is breed. |
| Meervoud | stammen | Veel stammen. |
| Verkleinwoord | stammetje | Een stammetje. |
| Samenstelling | stamboek | Het stamboek van een ras. |
| Samenstelling | stamcel | Een stamcel kan zich delen. |
Stam in een zin
- De boom had een stam van een meter dik.Letterlijke betekenis.
- Ik ben een stamgast bij die kroeg.Stam- geeft aan dat je vaste klant bent.
- Je schrijft hij loopt: de stam is loop plus een t.Spellingtip: dt-regel.
Stam, stamgast en stamkroeg
- Stamgast en stamkroeg zijn vaste cafés of vaste bezoekers; in Vlaanderen zeg je ook *stamcafé*.
- De stam van een werkwoord vind je door -en van de infinitief te halen: lopen, loop.
- Stamcellen zijn cellen die zich tot veel soorten weefsel kunnen ontwikkelen; stamboek noteert de afkomst van rassen.
Hoe vind je de stam van een werkwoord?
Haal de -en weg van de infinitief: werken, werk. Verander zo nodig de spelling: bellen, bel; leven, leef.
Is stam hetzelfde als romp?
Bij een boom bedoelt men er meestal hetzelfde mee, maar romp [hoort bij een lichaam]; stam is vooral voor bomen.