Schande: wat is er zo beschamend aan?
Schande is een toestand van diepe eerloosheid of afkeuring, of een voorval waarvoor men zich moet schamen.
Schande is het verlies van aanzien door gedrag dat anderen veroordelen. Het is het tegenovergestelde van eer: wie schande over zijn familie brengt, doet de naam geen goed. Het woord is verwant met het werkwoord *schenden*, ‘beschadigen’: wie schande lijdt, is in zijn naam geschonden. Vroeger kon dat gevolgen hebben voor de hele familie.
- Eerverlies. *Hij werd met schande overladen.*
- Iets beschamends. *Het is een schande dat niemand hielp.*
- Uitroep van afkeuring. *Schande! Dat mag je niet doen.*
- Smet op iemands naam. *Het was een schande voor de club.*
Vormen en samenstellingen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de schande | Vrouwelijk. |
| Meervoud | schanden | Zelden, vooral in vaste uitdrukkingen. |
| Samenstelling | schandpaal | Oude pilaar voor openbare vernedering. |
| Afleiding | schandalig | Beschamend, schokkend. |
| Samenstelling | schandvlek | Smet op iemands naam. |
Voorbeeldzinnen
- Het is een schande dat het zo lang duurde.Neutraal, afkeurend.
- Hij maakte zijn familie te schande.Vaste uitdrukking.
- Schande over wie dit toelaat!Plechtig, retorisch.
Uitdrukkingen met schande
- Te schande maken — iemand beschamen, vooral in een wedstrijd.
- Te schande worden — falen en daardoor aanzien verliezen.
- Aan de schandpaal nagelen — iemand openlijk beschuldigen.
- Schande spreken van — iets sterk afkeuren. *Het volk sprak schande van het besluit.*
Wat is het verschil tussen schande en schaamte?
Schande hoort bij de ogen van anderen, schaamte bij je eigen gevoel. Je kunt schaamte hebben zonder dat iemand het weet.