Bouw: het bouwen, de bouwsector en iemands lichaamsbouw

Bouw betekent het bouwen zelf, de bouwsector, of iemands lichaamsbouw. Oudtijds betekende het ook akkerbouw: bouwen was bewerken van land.

Het woord bouw wijst op het opzetten van gebouwen, op de bedrijfstak waarin dat gebeurt, en op de lichaamsbouw van mensen en dieren. In het Middelnederlands betekende *bouwen* ook ‘het land bewerken’, en dat leeft voort in woorden als *bouwland* en *bouwman*. Een oud woord voor een oude bezigheid.

Vormen van het woord

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde bouwDe bouw ligt stil.
SamenstellingbouwplaatsEen drukke bouwplaats.
WerkwoordbouwenWe bouwen een huis.
Verleden tijdbouwdeZe bouwde een schuur.
Voltooid deelwoordgebouwd (hebben)Dat huis is in 1930 gebouwd.

Zo gebruik je het in een zin

Bouw, bouwen en bouwland

Wat is het verschil tussen bouw en bouwen?

*Bouw* is het zelfstandig naamwoord (de handeling, de sector, de lichaamsbouw), *bouwen* het werkwoord.

Wat is het verschil tussen bouw en gebouw?

*Bouw* is het proces of de lichaamsbouw, *gebouw* het resultaat: een pand.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters