Huis of woning? Een klein woord met een lange geschiedenis

Een huis is een gebouw waarin mensen wonen. Ruimer genomen is het ook je thuis, een bedrijf of een dynastie.

Een huis is het gebouw waarin je woont, maar het woord reikt veel verder. Je kunt een huis hebben, naar huis gaan en het huis van Oranje kennen: één woord dat plaats, gezin en geslacht tegelijk benoemt. Dat maakt het een van de meest gebruikte zelfstandige naamwoorden van het Nederlands.

Vormen van huis

VormWoordOpmerking
Lidwoordhet huisOnzijdig, dus altijd 'het'.
MeervoudhuizenDe s van huis wordt een z: huizen.
VerkleinwoordhuisjeOok: tuinhuisje, poppenhuisje.
Samenstellingwoonhuis, huiskamerHuis staat vaak vooraan.
Naar huisnaar huis gaanBeweging, zonder lidwoord.

Thuis, naar huis en te huis

Meer over huis

Let op het verschil tussen thuis (waar je bent) en naar huis (waarheen je gaat): *ik ben thuis* tegenover *ik ga naar huis*. Dat 'thuis' is vastgegroeid uit het oude 'te huis'. In Vlaanderen hoor je daarnaast vaak 'thuis' in de betekenis van 'het huis waar je opgroeide'. Een spreekwoord als *oost, west, thuis best* laat zien hoeveel waarde we aan dat huis hechten.

Wat is het meervoud van huis?

Huizen, met een z. De stam eindigt op een stemloze s, maar in het meervoud wordt die stemhebbend: huis, huizen.

Is huis hetzelfde als woning?

Vrijwel. Woning is de neutrale term voor elke bewoonbare ruimte, een huis is een los gebouw of een geheel pand.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters