Zeil: een doek die de wind vangt
Een zeil is een groot stuk doek aan een mast dat wind opvangt om een boot voort te stuwen. Ook een stuk dekzeil of tentdoek heet zo.
Het zeil is het hart van elk zeilschip. Een doek van enkele vierkante meters kan een schip van duizenden kilo's over de oceaan voortstuwen, zolang de wind meewerkt. Het woord wordt ook buiten de scheepvaart gebruikt, bijvoorbeeld voor een dekzeil over een stapel hout.
- Doek aan een mast voor de wind. *Het grote zeil werd gehesen.*
- Afdekdoek of dekzeil. *Leg een zeil over de fietsen.*
- Werkwoord zeilen: met de wind varen. *Ze zeilen elke zomer op het IJsselmeer.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | het zeil | het-woord |
| Meervoud | zeilen | valt samen met de infinitief |
| Verkleinwoord | zeiltje | klein zeil of stukje |
| Samenstellingen | zeilboot, zeilschip, zeildoek, zeilwedstrijd | veel gebruikt |
| Werkwoord | zeilen β zeilt β zeilde β gezeild | hulpwerkwoord hebben of zijn |
Zeil in een zin
- De kapitein liet het zeil strijken.Maritiem; strijken betekent laten zakken.
- We hebben een weekend gezeild op de Friese meren.Voltooid deelwoord met hebben; bij een richting gebruik je zijn: we zijn naar Terschelling gezeild.
- Hij sleepte het zeil over de tuinmeubels.Alledaags; hier gaat het om een dekzeil.
Uitdrukkingen
- Onder zeil gaan is vertrekken of beginnen, ook figuurlijk.
- Zeil bijzetten betekent extra inspanning leveren.
- Het zeil strijken is opgeven.
- Je zeil op de wind richten is je aanpassen aan de omstandigheden.
- Verwant zijn schip en wind, want beide horen bij het zeilen.
Wanneer gebruik je zijn bij zeilen?
Bij een richting of bestemming: *we zijn naar Engeland gezeild*. Zonder doel gebruik je hebben.
Is zeil hetzelfde als doek?
Niet precies: een zeil is een doek met een functie, het opvangen van wind, en vaak sterker dan gewone stof.