Leen: iets lenen, en het feodale leen

Een leen is in de middeleeuwen een stuk land of een recht dat een heer aan een vazal gaf. Ook de stam van lenen: uitlenen en ontlenen.

Een leen was in de middeleeuwen een stuk land of een recht dat een heer in gebruik gaf aan een vazal. Het werkwoord lenen bestaat in het Nederlands zowel voor uitlenen als voor ontlenen, wat Engelstaligen met 'lend' en 'borrow' netter scheiden. Zo zijn leen, lenen en leenwoord één familie.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Zelfstandig naamwoordhet leenEen leen van de koning.
Samenstellingleenstelsel, leenheerDe leenheer eiste trouw.
Samenstellingleenman, leengoedEen rijk leengoed.
Samenstellingleenwoord'Computer' is een leenwoord.
Werkwoordlenen, leende, geleendZij heeft geld geleend.

Leen in een zin

Lenen: geven of nemen?

In het Nederlands betekent lenen zowel 'iets aan iemand geven' als 'iets van iemand krijgen'. Om het duidelijk te maken gebruik je uitlenen (geven) en ontlenen of lenen van (nemen). Een schuld ontstaat wanneer je geld leent en het niet terugbetaalt. Ook de rente hoort bij een lening. Een leenwoord is een woord dat een taal uit een andere taal overneemt, zoals 'computer'.

Wat is het verschil tussen lenen en uitlenen?

Lenen kan beide betekenen. Met uitlenen is het duidelijk dat je geeft; 'ik leen van jou' zegt dat je neemt.

Is 'leen' hetzelfde als 'lening'?

Nee. Een lening is een som geld die je moet terugbetalen. Een leen is een historisch recht op land.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters