Vuur of brand? Zo gebruik je het woord vuur
Vuur is het verschijnsel van verbranding met vlammen en warmte, maar ook een bevel om te schieten en een beeld voor gedrevenheid.
Vuur is verbranding met warmte en licht. Het is bruikbaar en gevaarlijk tegelijk: je kookt erop, maar je speelt er niet mee. In het Nederlands is het ook een commando, een emotie en een zware beproeving.
- Verbranding met vlammen. *Het vuur brandt in de haard.*
- Gloeiende gedrevenheid. *Ze sprak met vuur over haar werk.*
- Schieten (militair). *Open het vuur!*
- Aansteker (informeel). *Heb je even vuur?*
- Gerelateerd: brand. Een brand is ongewenst vuur dat schade veroorzaakt.
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het vuur | Het vuur dooft. |
| Meervoud | vuren | Kampvuren. |
| Verkleinwoord | vuurtje | Een vuurtje stoken. |
| Werkwoord | vuren | Ze vuurden op het doel. |
| Samenstelling | vuurwerk, vuurtoren | De vuurtoren. |
Voorbeeldzinnen
- Heb je even vuur voor mijn sigaret?Informeel; steeds minder gebruikelijk.
- Het kamp stond in vuur en vlam toen het nieuws bekend werd.Figuurlijk: enthousiast of in opschudding.
- De dichter sprak met veel vuur over vrijheid.Gedrevenheid; vaak in literatuur en journalistiek.
Uitdrukkingen
- Met vuur spelen: onnodig risico nemen.
- Vuur en vlam spuwen: woedend zijn.
- Door het vuur gaan voor iemand: alles voor iemand doen.
- Onder vuur liggen: scherp bekritiseerd worden.
- Vuurproef: een zware beproeving.
Wat is het verschil tussen vuur en vlam?
Vuur is het verschijnsel van verbranding; een vlam is het zichtbare, gloeiende gas dat je ziet.
Zeg je 'vuur' of 'brand' bij een ramp?
Bij een ongeluk of schade spreek je van brand: 'de brand woedde de hele nacht'. Vuur gebruik je voor beheerst of figuurlijk vuur.