Trouw: loyaal zijn en blijven

Trouw is de eigenschap om loyaal te blijven aan iemand of iets; als bijvoeglijk naamwoord betekent het betrouwbaar en standvastig.

Trouw is een woord met een lange geschiedenis. Het werkwoord *trouwen* is ervan afgeleid: wie trouwt, belooft trouw. Het zelfstandig naamwoord duidt op loyaliteit, het bijvoeglijk naamwoord op iemand die niet wankelt. Het woord komt dicht bij vriend en eed, want wie trouw is, houdt woord.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Zelfstandig naamwoordde trouwonverbrekelijke trouw
Bijvoeglijk naamwoordtrouween trouwe vriend
Vergrotende traptrouwertrouwer dan ooit
Overtreffende traptrouwstde trouwste klant
Verwant werkwoordtrouwenzij trouwen in mei

Zo gebruik je het

Trouw en trouwen

De verwantschap tussen *trouw* en *trouwen* zit diep: in het Middelnederlands betekende *trouwen* eigenlijk *een verbond van trouw sluiten*. Het is dus geen toeval dat de ring in de huwelijksceremonie bij de belofte hoort. Een ander woord uit dezelfde familie is *vertrouwen* (je bent bereid te rekenen op trouw). De krant *Trouw* is in 1943 uit het verzet ontstaan. Het woord *ontrouw* is de tegenhanger.

Is trouw hetzelfde als loyaal?

Bijna. Trouw heeft een warmere, persoonlijkere kleur dan het zakelijke loyaal.

Hoe hangt trouw samen met trouwen?

Trouwen komt van trouw: wie trouwt, belooft trouw aan elkaar.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 5 letters