Steak: het Engelse leenwoord voor een dikke plak vlees
Een steak is een dikke, gebakken of gegrilde plak vlees, meestal rundvlees. In het Nederlands is biefstuk het oudere woord.
Een steak is een dikke plak vlees die in de pan of op de grill wordt gebakken. Biefstuk is zelf al een leenwoord uit het Engelse beefsteak, dus steak is eigenlijk een tweede ronde lenen. In restaurants staat steak meestal voor een duur stuk.
- Dikke plak vlees. *Hij bestelde een steak met friet.*
- Plak vlees van een ander dier. *Een varkenssteak van de grill.*
- Plak vis of groente. *Een tonijnsteak of bloemkoolsteak.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de steak | een de-woord |
| Meervoud | steaks | met -s |
| Verkleinwoord | steakje | kleine steak |
| Samenstelling | steakhouse | restaurant gespecialiseerd in vlees |
| Samenstelling | biefstuk | Nederlands equivalent |
Voorbeelden in een zin
- Ik wil mijn steak medium, alstublieft.Restauranttaal; de baktermen zijn Engels.
- Zij at een zalmsteak met rijst.Steak kan ook bij vis horen.
- Biefstuk met friet is in België een klassieker.Het Nederlandse woord blijft gangbaar.
Steak of biefstuk?
In de keuken gebruik je steak voor een dikke, hoogwaardige snit en biefstuk voor het gewone Nederlandse gerecht. In de baktermen kom je Engelse woorden tegen: *rare* (rood), *medium* (roze) en *well done* (doorbakken). In Nederland zegt men ook *kort gebakken*. Een goede steak wordt meestal geserveerd met een saus en friet, en hoort bij een stevige maaltijd met vlees.
Is steak een de- of het-woord?
De steak, meervoud steaks.
Wat is het verschil tussen steak en biefstuk?
Biefstuk is het traditionele woord; steak is moderner en wordt vooral in restaurants gebruikt voor dikke stukken.