Bof: ziekte of geluk? Twee woorden, één spelling

Een bof is een besmettelijke virusziekte met gezwollen speekselklieren, ook wel dikoor genoemd. In spreektaal betekent bof ook gelukkig toeval: een bof hebben.

Bof heeft twee betekenissen die elkaar tegenspreken. De ziekte is een ongeluk, maar wie 'een bof heeft' heeft juist ontzettend veel geluk. Alleen de context vertelt welke bedoeld wordt.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde bofDe bof is besmettelijk.
MeervoudboffenZeldzaam.
Werkwoordboffenik bof, ik bofte, ik heb geboft
SamenstellingbofkontIemand met veel geluk.

Bof in een zin

Dikoor en de bof

De volksnaam voor de ziekte is dikoor, omdat de wangen bij het oor opzwellen. De bof wordt veroorzaakt door een virus en kan ernstiger zijn bij volwassenen. Het geluk-gebruik komt in het hele taalgebied voor, tot in Vlaanderen. Wie veel geluk heeft, is een bofkont; het tegenovergestelde is pech hebben, en dan is de bof opeens weer een ziekte. Door vaccinatie komt de ziekte in Nederland en Vlaanderen nog maar zelden voor. Het gebruik als geluk is informeel en komt vooral in spreektaal voor.

Is de bof gevaarlijk?

Meestal niet bij kinderen; bij volwassenen kunnen er complicaties optreden. Een vaccinatie biedt bescherming.

Wat betekent 'een bof hebben'?

Geluk hebben, in spreektaal.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters