Arm of arm? Twee woorden met dezelfde klank
Arm is een lichaamsdeel tussen schouder en hand, en ook een bijvoeglijk naamwoord voor wie weinig geld of weinig van iets heeft. Verder is het een tak van een rivier.
Arm is een woord met twee levens. Het zelfstandig naamwoord is wat je om iemand heen slaat, het bijvoeglijk naamwoord is wat je liever niet bent. De klank is gelijk, maar de grammatica verschilt, en dat bepaalt hoe je het woord verbuigt.
- Lichaamsdeel (zelfstandig naamwoord). *Hij brak zijn arm bij het schaatsen.*
- Weinig geld hebbend (bijvoeglijk naamwoord). *Een arme student.*
- Weinig van iets bevattend. *Spinazie is niet arm aan ijzer.*
- Zijtak van een rivier of voorwerp. *De Rijn splitst zich in verschillende armen.*
Vormen
| Vorm | Zelfstandig | Bijvoeglijk |
|---|---|---|
| Basisvorm | de arm | arm |
| Meervoud / verbogen | armen | arme (een arme man) |
| Verkleinwoord / trap | armpje | armer, armst |
| Afleiding | armband, armleuning | armoede, verarmen |
Arm in een zin
- Ze liepen arm in arm door de stad.Vaste verbinding; hier zonder lidwoord.
- Dit land is arm aan grondstoffen.'Arm aan' betekent: te weinig van iets hebbend.
- De rijke en de arme vrouw woonden in dezelfde straat.Verbogen vorm met -e voor een de-woord.
Uitdrukkingen met arm
- Met open armen ontvangen: heel hartelijk welkom heten.
- Iemand de arm omdraaien: iemand onder druk zetten.
- Zo arm als Job: heel arm; Job is de bijbelse figuur die alles verloor.
- Met de armen over elkaar zitten: niets doen, afwachten.