Uitstel is geen afstel, maar wat is het dan?
Uitstel is het verschuiven van iets naar een later tijdstip, bijvoorbeeld een betaling, een vergadering of een straf.
Uitstel is iets later doen dan afgesproken. Het bekendste spreekwoord is ‘uitstel is geen afstel’, al klinkt het vaak als een troost voor wie zijn klus voor zich uit schuift. Dat zie je vooral in een stille tuin op een zonnige zaterdag, waar een goede tuinman precies weet wanneer hij moet snoeien en wanneer hij moet wachten.
- Het verschuiven van een deadline. *We vroegen uitstel van betaling.*
- Een pauze in de tijd. *De zitting kreeg uitstel van twee weken.*
- Procrastinatie. *Zijn gewoonte van uitstel kost hem veel tijd.*
Vormen
| Kenmerk | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het uitstel | Het uitstel duurt een week. |
| Meervoud | niet gebruikelijk | – |
| Werkwoord | uitstellen | Zij stelt het uit. |
| Verleden tijd | stelde uit | Hij stelde het uit. |
| Voltooid deelwoord | uitgesteld | Het is uitgesteld. |
Zo gebruik je het in een zin
- Hij vroeg uitstel van betaling.Zakelijk, bij de bank.
- De bijeenkomst is wegens ziekte uitgesteld.Gebruikelijk bericht.
- Uitstel is geen afstel.Spreekwoord, informeel.
Uitstel en afstel
Uitstel is het verschuiven naar later. Afstel is het volledig afgelasten. Dat verschil zit in het spreekwoord ‘uitstel is geen afstel’: iets later doen betekent dat het nog moet gebeuren. In juridische taal is uitstel vaak een officiële term, bijvoorbeeld bij uitstel van vertrek of van betaling. Het woord is een onzijdig zelfstandig naamwoord, dus ‘het uitstel’, en het heeft geen gebruikelijk meervoud. Wie een deadline schuift, vraagt dus om uitstel, niet om uitstellen.
Wat is het verschil tussen uitstel en afstel?
Uitstel is later doen, afstel is niet doen.
Is uitstel de- of het-woord?
Het uitstel.