Wat is een toestel? Van telefoon tot gymnastiek
Een toestel is een apparaat of werktuig dat voor een bepaald doel wordt gebruikt. In België zegt men ook 'toestel' voor een telefoon, in Nederland vooral voor sport.
Een toestel is een apparaat dat iets doet: een telefoon, een radio, een vliegtuig. Het woord is vrij vaag, en dat is precies zijn nut: je hoeft de soort niet te noemen. Wie niet weet hoe het ding heet, zegt ‘dat toestel’.
- Een apparaat. *Zet het toestel uit voor je het opent.*
- Een sporttoestel. *De brug en de ringen zijn toestellen bij turnen.*
- Een vliegtuig. *Het toestel landde veilig in Schiphol.*
- Een telefoon (vooral Vlaams). *Welk toestel heb je nu?*
Vormen
| Kenmerk | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het toestel | Het toestel doet het niet. |
| Meervoud | toestellen | De toestellen zijn nieuw. |
| Verkleinwoord | toestelletje | Een handig toestelletje. |
| Samenstelling | toestelnummer | Bel toestelnummer 12. |
| Samenstelling | gymtoestel | Het gymtoestel staat in de hoek. |
Zo gebruik je het in een zin
- Mijn toestel is stuk.Nederlands: een apparaat; Vlaams vaak: mijn telefoon.
- Het toestel van KLM vertrok te laat.Journalistentaal voor vliegtuig.
- Hij staat op het toestel te springen.Alleen in het turnen; het toestel is een plank of tafel.
Een woord met een Belgisch accent
In België is *toestel* gewoon een mobiele telefoon of een vaste lijn, in Nederland praat men over een *telefoon* of een *mobieltje*. Een Belg zegt dus 'ik bel je op je toestel', iets wat een Nederlander ongewoon vindt. Het woord hoort bij *toestellen*, 'toerusten', en bij het oudere *toestel* als 'uitrusting'. Een bus of een trein noem je overigens geen toestel, dat zijn voertuigen.
Is toestel de- of het-woord?
Het toestel, met het meervoud toestellen.
Zegt een Nederlander ook toestel voor telefoon?
Zelden. Dan zeg je telefoon, mobieltje of smartphone.