Tehuis: een woonplek voor wie niet thuis kan wonen
Een tehuis is een instelling waar mensen wonen die zorg of opvang nodig hebben, zoals een kindertehuis of een bejaardentehuis. Het is niet hetzelfde als thuis.
Een tehuis is een huis dat voor anderen een thuis moet worden. Het woord beschrijft een instelling waar mensen wonen die niet zelfstandig kunnen of willen wonen. Denk aan opvang voor kinderen, ouderen of mensen met een beperking.
- Opvang- of verzorgingsinstelling. *Ze groeide op in een kindertehuis.*
- Woonplek voor ouderen. *Haar oma woont in een tehuis voor ouderen.*
- Woonplek in het algemeen (plechtig). *Het kleine huisje was hun tehuis geworden.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | het tehuis | Altijd een het-woord. |
| Meervoud | tehuizen | Net als huizen: de s wordt een z. |
| Verkleinwoord | tehuisje | Meestal figuurlijk of liefkozend. |
| Samenstellingen | kindertehuis, bejaardentehuis | Soort bewoners voorop. |
Tehuis in een zin
- Het tehuis zoekt nieuwe vrijwilligers voor de zondagmiddag.Neutraal en zakelijk; typisch krantentaal.
- Dat dak boven je hoofd was een tijdelijk tehuis.Overdrachtelijk gebruik, wat literair.
- In Vlaanderen zeggen ze eerder rusthuis dan bejaardentehuis.Regionaal verschil voor ouderenzorg.
Tehuis, thuis en huis
Het woord is ontstaan uit *te huis*, 'bij het huis', maar is vastgegroeid tot één woord. Let op het verschil met thuis, dat een bijwoord is: *ik ben thuis*. Een tehuis is dus een plek, thuis is een toestand. Zie ook huis en hulp, want veel tehuizen bieden vooral hulp aan wie die nodig heeft.
Is tehuis hetzelfde als thuis?
Nee. Thuis is een bijwoord voor de plek waar je woont; een tehuis is een instelling met begeleiding.
Wat is het meervoud van tehuis?
Tehuizen, net als het meervoud van huis huizen.