Taai: waarom een koekje en een vlees dezelfde naam delen

Taai betekent moeilijk te kauwen of te breken, en figuurlijk zwaar, saai of volhardend. Een taaitaai is ook een traditioneel Sinterklaasgebak.

Het bijvoeglijk naamwoord taai gaat over weerstand. Wat taai is, geeft niet makkelijk mee: een stuk vlees, een mens of een lange vergadering. Het woord kun je prima gebruiken als compliment voor een volhouder, maar over een stukje vlees is het minder vleiend.

Trappen van vergelijking

VormWoordVoorbeeld
BasisvormtaaiHet brood is taai.
VerbogentaaieEen taaie vechter.
Vergrotende traptaaierTaaier dan verwacht.
Overtreffende traptaaistHet taaist van allemaal.
Zelfstandig gebruikde taaieHij is een taaie.

Taai in een zin

Het gebak taaitaai

Rond Sinterklaas eten veel mensen taaitaai, een gekruid koekje van honing, roggemeel en anijs. De naam verwijst naar het taaie deeg, dat lang rust voordat het gebakken wordt. De spelling zonder streepje staat in de woordenlijst, al schrijven veel bakkers taai-taai. Een gewone koek blijft veel zachter.

Is taai het tegenovergestelde van zacht?

Meestal wel: een zacht stuk vlees is mals, een taai stuk is hard om te kauwen.

Hoe schrijf je de koek: taaitaai of taai-taai?

De woordenlijst kent taaitaai; het streepje wordt in de praktijk veel gebruikt.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters