Ski: een plank onder je voeten

Een ski is een lange, smalle plank die je onder je voeten bindt om over sneeuw te glijden. Ook de sport die je ermee beoefent heet skiën.

Een ski is oorspronkelijk een Noors vervoermiddel. Het woord komt uit het Noors skí, wat 'gespleten stuk hout' betekent, en kwam met de wintersport naar het Nederlands. Daarom lijkt het op een buitenlands woord.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde skiDe ski is gebroken.
Meervoudski'sTwee ski's.
InfinitiefskiënWe gaan skiën.
Tegenwoordige tijd (hij)skietHij skiet goed.
Verleden tijdskiede / skiedenZe skieden samen.
Voltooid deelwoordgeskiedHebben geskied.

Zo gebruik je het in een zin

Spelling en uitspraak

Het meervoud ski's krijgt een apostrof, omdat de i lang klinkt; zo is het ook bij foto's en radio's. Het werkwoord skiën krijgt een trema omdat de i en de e apart worden uitgesproken, anders las je 'skie'. Bij de lift in het wintersportgebied draagt iedereen zijn ski's op de schouder.

Is het ski's of skis?

Ski's, met apostrof. Alleen zo blijft duidelijk dat de i lang is.

Schrijf je skiën met trema?

Ja, de trema staat op de e: skiën.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters