Pijp: roken, buizen en de Amsterdamse Pijp
Een pijp is een buis, bijvoorbeeld om tabak in te roken of om vloeistof door te voeren. Ook het deel van een broek voor het been heet pijp.
Het woord pijp beschrijft eigenlijk altijd een holle, langwerpige vorm. Of het om tabak gaat, om water of om een broekspijp: het gemeenschappelijke is de buisvorm. Daardoor kan het woord in verschillende contexten gebruikt worden.
- Rookpijp. *Hij stopte zijn pijp vol tabak.*
- Buis of leiding. *Er zit een lek in de pijp.*
- Deel van de broek. *Rol je pijpen op.*
- Blaasinstrument. *De speler blies op zijn pijp.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de pijp | De pijp is stuk. |
| Meervoud | pijpen | Twee pijpen. |
| Verkleinwoord | pijpje | Uit een ander pijpje roken. |
| Samenstelling | broekspijp | Een nauwe broekspijp. |
| Samenstelling | pijpleiding | De pijpleiding loopt door de polder. |
Zo gebruik je het
- Opa rookt elke avond een pijp.Alledaags, nostalgisch gebruik.
- Het water stroomt door de pijp naar de boiler.Technisch, vaak in samenstellingen als *waterpijp*.
- Hij trok zijn broekspijpen op.Meervoud bij het kledingstuk.
Uitdrukkingen en een kanttekening
- Uit een ander pijpje roken: er anders over denken.
- De pijp aan Maarten geven: ermee ophouden, of sterven.
- De Pijp: een buurt in Amsterdam, volgens de gangbare verklaring genoemd naar de smalle, rechte straten.
- Het werkwoord *pijpen* heeft ook een seksuele betekenis die grof kan klinken.
- Een verwant woord voor de vorm is buis, en de blaasinstrumenten zoals de fluit zijn er familie van.
Wat betekent 'de pijp uit gaan'?
Doodgaan, in informeel taalgebruik.
Waar komt de naam De Pijp vandaan?
Meestal wordt gezegd dat de smalle, rechte straten van de Amsterdamse buurt aan pijpen deden denken.