Park: een groene plek, een parkeerplaats of een werkwoord?

Een park is een aangelegd stuk grond met gras, bomen en paden, bedoeld voor wandelen en ontspanning. Ook een terrein met een bepaalde functie heet park.

Een park is groen, maar niet wild. Het onderscheidt zich van een bos doordat iemand het heeft aangelegd en onderhoudt, met paden, banken en plantsoenen. In het Nederlands heb je veel verbindingen met park, van stadspark tot vakantiepark.

Vormen

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordhet parkHet park is mooi.
MeervoudparkenDe parken van Brussel.
VerkleinwoordparkjeEen parkje om de hoek.
SamenstellingpretparkNaar het pretpark.
SamenstellingbedrijvenparkEen bedrijvenpark bij de snelweg.

Zo gebruik je het

Park, parkeren en parkeerplaats

Park komt via het Frans uit het middeleeuwse Latijn *parricus*, een 'omheind stuk grond'. Het werkwoord *parkeren* hoort er direct bij en betekende oorspronkelijk dat je legerwagens in een omheind terrein stalde. Een plek in de buitenlucht met meer natuur dan een park is een bos, en een stuk grond bij het huis heet tuin.

Wat is het verschil tussen een park en een bos?

Een park is aangelegd en onderhouden, een bos is een grotere natuurlijke of beheerde beplanting.

Is park een de- of het-woord?

Het is een het-woord: het park, mv. de parken.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters