Park: een groene plek, een parkeerplaats of een werkwoord?
Een park is een aangelegd stuk grond met gras, bomen en paden, bedoeld voor wandelen en ontspanning. Ook een terrein met een bepaalde functie heet park.
Een park is groen, maar niet wild. Het onderscheidt zich van een bos doordat iemand het heeft aangelegd en onderhoudt, met paden, banken en plantsoenen. In het Nederlands heb je veel verbindingen met park, van stadspark tot vakantiepark.
- Aangelegd groengebied. *We lopen een rondje door het Vondelpark.*
- Terrein met een bepaald doel. *Het pretpark opent om tien uur.*
- Verzameling voertuigen of machines. *Het wagenpark van het bedrijf is nieuw.*
- Nationaal beschermd gebied. *Het Nationaal Park De Hoge Veluwe.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het park | Het park is mooi. |
| Meervoud | parken | De parken van Brussel. |
| Verkleinwoord | parkje | Een parkje om de hoek. |
| Samenstelling | pretpark | Naar het pretpark. |
| Samenstelling | bedrijvenpark | Een bedrijvenpark bij de snelweg. |
Zo gebruik je het
- We picknicken zaterdag in het park.Standaard, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
- Het wagenpark van de gemeente wordt vervangen.Park in de betekenis van een verzameling voertuigen.
- Hij parkeert zijn auto bij het park.Let op het verband tussen *parkeren* en *park*.
Park, parkeren en parkeerplaats
Park komt via het Frans uit het middeleeuwse Latijn *parricus*, een 'omheind stuk grond'. Het werkwoord *parkeren* hoort er direct bij en betekende oorspronkelijk dat je legerwagens in een omheind terrein stalde. Een plek in de buitenlucht met meer natuur dan een park is een bos, en een stuk grond bij het huis heet tuin.
Wat is het verschil tussen een park en een bos?
Een park is aangelegd en onderhouden, een bos is een grotere natuurlijke of beheerde beplanting.
Is park een de- of het-woord?
Het is een het-woord: het park, mv. de parken.