Rook: damp van vuur, en ook de verleden tijd van ruiken
Rook is het mengsel van gassen en fijne deeltjes dat vrijkomt bij verbranding. Rook is ook de verleden tijd van ruiken: ik rook de bloemen.
Het woord rook is een mooie verrassing voor wie Nederlands leert. Rook kan de damp zijn die van een vuurtje opstijgt, maar ook het verleden van ruiken: gisteren rook ik rook. Wat de betekenis is, hangt af van de plek in de zin: bij vuur denk je aan de damp, bij een geur aan het ruiken.
- Damp bij verbranding (zelfstandig naamwoord). *Er steeg rook op uit de schoorsteen.*
- Verleden tijd van ruiken (ik rook). *Ik rook verse koffie.*
- Sigarettenrook. *Het café hing vol rook.*
- Misleidend vertoon (rookgordijn). *Die verklaring was slechts een rookgordijn.*
Vormen
| Werkwoord | Verleden tijd | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| ruiken | rook | geroken |
| roken | rookte | gerookt |
| Zelfstandig naamwoord | de rook | Geen meervoud |
| Samenstelling | rookmelder | Piept bij rook |
| Samenstelling | rookgordijn | Verhult de waarheid |
Rook in een zin
- Ik rook gas in de keuken.Verleden tijd van ruiken: er is geen rook, wel een geur.
- Hij rookte een sigaar.Verleden tijd van roken, dus het gaat om het gebruik van tabak.
- Er hing dikke rook boven het dorp.Zelfstandig naamwoord, gewoon het verschijnsel.
Spreekwoorden met rook
- Geen rook zonder vuur: achter een gerucht zit meestal wel iets van waarheid.
- In rook opgaan: uitlopen op niets, mislukken.
- Rook uit je oren komen: woedend zijn.
- De verwarring tussen *roken* (rookte) en *ruiken* (rook) is een bekende valkuil, ook voor moedertaalsprekers.
Is rook de verleden tijd van roken?
Nee. De verleden tijd van roken is rookte. Rook is de verleden tijd van ruiken.
Is gerookt hetzelfde als geroken?
Nee. Gerookt hoort bij roken, zoals in gerookte zalm. Geroken hoort bij ruiken, zoals in: ik heb gas geroken.