Paard: een woord met een postkoetsverleden
Een paard is een groot hoefdier dat gereden wordt of voor een wagen gespannen. Het is ook de naam van een schaakstuk en komt in veel spreekwoorden voor.
Een paard is een groot, snel hoefdier dat mensen al duizenden jaren berijden. Het woord komt van het Laatlatijnse *paraveredus*, 'postpaard': een paard dat de koerier onderweg verwisselde. Zo is het in het Duits *Pferd* geworden. Een mannelijk paard heet een hengst, en wie erop zit is de ruiter.
- Het hoefdier zelf. *Ze reed al jong paard.*
- Een schaakstuk. *Het paard springt in een L-vorm.*
- Een gymtoestel. *Een sprong over het paard.*
- Figuurlijk: iemand of iets waarop je rekent. *Op het verkeerde paard wedden.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Enkelvoud | het paard | een snel paard |
| Meervoud | paarden | de paarden in de wei |
| Verkleinwoord | het paardje | een paardje op de draaimolen |
| Vrouwtje | de merrie | een merrie met veulen |
| Samenstellingen | paardenbloem, paardrijden | paardrijden is haar hobby |
Zo gebruik je het
- Hij spande het paard achter de wagen.Letterlijk of in de uitdrukking: de volgorde omkeren.
- Ze heeft op het verkeerde paard gewed.Figuurlijk: een verkeerde keuze doen.
- Het paard van Troje.Een list waarmee een vijand binnenkomt.
Spreekwoorden met paard
- Een gegeven paard moet men niet in de bek kijken. Kritiek op een cadeau is onbeleefd.
- Het paard achter de wagen spannen. Dingen in de verkeerde volgorde doen.
- Op het verkeerde paard wedden. Een verkeerde keuze maken.
- Het paard van Troje. Een list waarmee een vijand binnenkomt.
Is het paard of paarden?
Paard is enkelvoud, paarden meervoud. Het verkleinwoord is paardje.
Hoe heet het schaakstuk in het Nederlands?
Paard, ook wel springer. Het beweegt in een L-vorm.