Menigte: grote groep mensen, enkelvoud met een eigen werkwoord
Een menigte is een grote groep mensen of dingen die bij elkaar zijn gekomen.
Een menigte is een groot aantal mensen of dingen bij elkaar. Hoewel het om veel mensen gaat, is menigte grammaticaal één ding: de menigte juicht, niet de menigte juichen. Dat klinkt logisch, maar in spreektaal gaat het weleens mis. Vaak denk je aan een plein, een stadion of een straat vol toeschouwers die samen iets beleven.
- Grote groep mensen. *De menigte wachtte op de zanger.*
- Grote hoeveelheid. *Een menigte vragen volgde.*
- Massa. *Hij verdween in de menigte.*
Vormen
| Kenmerk | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de | de menigte |
| Meervoud | menigten | grote menigten |
| Verkleinwoord | menigtetje | zelden |
| Verwant | menig | menig mens |
| Synoniem | massa | een massa mensen |
Zo hoor je het
- De menigte juichte toen het doelpunt viel.Enkelvoudig werkwoord bij menigte.
- Er stond een menigte aan de ingang.Neutraal.
- Hij werd verzwolgen door de menigte.Figuurlijk en literair.
Menig, menigte en menigmaal
Menigte komt van het Middelnederlandse *menichte*, afgeleid van *menig* (‘veel’). Je hoort het nog in *menig mens*, *menigmaal* en *menigeen*. Het woord is verwant aan het Duitse *Menge*. Als je het wilt vervangen, kun je publiek kiezen voor mensen die kijken, of volk in plechtiger taal. Wie het woord in een krantenkop leest, kan er een demonstratie, een concert of een stormloop achter vermoeden. In alle gevallen draait het om de omvang van de groep.
Zeg je de menigte is of zijn?
De menigte is; het is enkelvoud.
Wat is het verschil met menigeen?
Menigeen betekent veel mensen afzonderlijk; menigte is een groep die samen is.