Lijden, leed, geleden: één werkwoord, drie gezichten

Lijden betekent pijn, verdriet of ongemak ondervinden. Het is een onregelmatig werkwoord met de vormen lijdt, leed en geleden.

Het werkwoord lijden beschrijft pijn die je ondergaat, lichamelijk of geestelijk. Het geleden in *een jaar geleden* hoort historisch bij hetzelfde werkwoord, dat vroeger ‘gaan, voorbijgaan’ betekende.

Vervoeging

VormWerkwoordVoorbeeld
InfinitieflijdenZij moet veel lijden.
Tegenwoordige tijd (hij)lijdtHij lijdt aan hoogtevrees.
Verleden tijdleed (enkelvoud), leden (meervoud)Ze leed in stilte.
Voltooid deelwoordgeledenHij heeft veel geleden.
HulpwerkwoordhebbenIk heb geleden.

Lijden in zinnen

Leed, pijn en lijdend voorwerp

Het werkwoord heeft een eigen zelfstandig naamwoord: *het leed*, dat precies hetzelfde klinkt als de verleden tijd *leed*. Verwant is ook pijn, terwijl smart een meer plechtig woord is. In de grammatica is een *lijdend voorwerp* wat de handeling ondergaat, en de *lijdende vorm* is de passieve zin: ‘Het huis wordt gebouwd.’

Wat is het verschil tussen lijden aan en lijden onder?

Aan geeft de ziekte of kwaal, onder geeft de oorzaak van de ellende.

Hoe schrijf je de verleden tijd?

Enkelvoud leed, meervoud leden: ‘Hij leed’, ‘zij leden’.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 6 letters