Lijden, leed, geleden: één werkwoord, drie gezichten
Lijden betekent pijn, verdriet of ongemak ondervinden. Het is een onregelmatig werkwoord met de vormen lijdt, leed en geleden.
Het werkwoord lijden beschrijft pijn die je ondergaat, lichamelijk of geestelijk. Het geleden in *een jaar geleden* hoort historisch bij hetzelfde werkwoord, dat vroeger âgaan, voorbijgaanâ betekende.
- Pijn of ongemak ondervinden. *Zij lijdt aan chronische hoofdpijn.*
- Verlies of schade ondergaan. *Het bedrijf leed vorig jaar een verlies.*
- Verdragen, dulden. *Hij kan geen kritiek lijden.*
Vervoeging
| Vorm | Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Infinitief | lijden | Zij moet veel lijden. |
| Tegenwoordige tijd (hij) | lijdt | Hij lijdt aan hoogtevrees. |
| Verleden tijd | leed (enkelvoud), leden (meervoud) | Ze leed in stilte. |
| Voltooid deelwoord | geleden | Hij heeft veel geleden. |
| Hulpwerkwoord | hebben | Ik heb geleden. |
Lijden in zinnen
- Zij lijdt aan een zeldzame ziekte.Medisch register; vaste combinatie âlijden aanâ.
- Het dorp heeft onder de droogte geleden.âLijden onderâ drukt de oorzaak van de ellende uit.
- Hij kon het niet langer aanzien en leed mee.Meelijdend, vooral literair.
Leed, pijn en lijdend voorwerp
Het werkwoord heeft een eigen zelfstandig naamwoord: *het leed*, dat precies hetzelfde klinkt als de verleden tijd *leed*. Verwant is ook pijn, terwijl smart een meer plechtig woord is. In de grammatica is een *lijdend voorwerp* wat de handeling ondergaat, en de *lijdende vorm* is de passieve zin: âHet huis wordt gebouwd.â
Wat is het verschil tussen lijden aan en lijden onder?
Aan geeft de ziekte of kwaal, onder geeft de oorzaak van de ellende.
Hoe schrijf je de verleden tijd?
Enkelvoud leed, meervoud leden: âHij leedâ, âzij ledenâ.