Lid: een valse vriend van het Engelse lid

Een lid is iemand die bij een vereniging of groep hoort. Ook een ledemaat, zoals een arm of been, en een onderdeel van een wetsartikel heten lid.

Wie lid zegt, bedoelt meestal iemand die ergens bij hoort. Het Engelse lid betekent deksel, dus een Nederlands lid heeft helemaal niets met een pan of pot te maken. Het woord heeft meerdere betekenissen en een onverwachte meervoudsvorm.

Vormen

BetekenisMeervoudVoorbeeld
Lid van een groepledenDe leden stemmen morgen.
Ledemaatledematen of ledenHaar ledematen deden pijn.
WetsonderdeelledenDe drie leden van het artikel.
VerkleinwoordlidjeEen lidje van de vereniging.
SamenstellinglidmaatschapHet lidmaatschap is jaarlijks.

Lid in de praktijk

Een valse vriend

Een Engelsman die ‘lid’ leest, denkt aan een deksel. In het Nederlands is dat de deksel. Het lid van ooglid heeft wel eenzelfde klank, maar komt uit een andere woordfamilie en is verwant met het Engelse lid. Het lid van een vereniging hangt samen met het Duitse Glied, dat ook ‘schakel’ of ‘ledemaat’ betekent. Zo zit in het Nederlandse woord een hele geschiedenis: een lid is letterlijk een schakel in een keten, zoals een arm een schakel is van het lichaam.

Wat is het meervoud van lid?

Bij personen en artikelen: leden. Bij ledematen gebruik je meestal ledematen.

Is lid een de- of het-woord?

Het is een het-woord: het lid, maar bij de samenstelling ooglid blijft ook het lidwoord het.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters