Kosten: het werkwoord en het meervoudige zelfstandig naamwoord
Kosten is als werkwoord een bepaalde prijs hebben, en als zelfstandig naamwoord de uitgaven die je voor iets moet maken.
Het woord kosten is tegelijk een werkwoord en een meervoud. Wat iets kost, zijn de kosten; wie die kosten draagt, betaalt ervoor. Daarnaast betekent het werkwoord in Vlaanderen en in ouder Nederlands ook proeven.
- Een prijs hebben (werkwoord). *Dit boek kost twintig euro.*
- Uitgaven (zelfstandig naamwoord). *De kosten van het onderhoud zijn hoog.*
- Proeven (regionaal). *Kost eens van deze soep.*
- Vergen. *Het kost veel moeite.*
Vormen en vervoeging
| Vorm | Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Infinitief | kosten | Het kan veel kosten. |
| Tegenwoordige tijd (hij) | kost | Het kost veel. |
| Verleden tijd | kostte | Het kostte niets. |
| Voltooid deelwoord | gekost | Het heeft veel gekost. |
| Hulpwerkwoord | hebben | Het heeft gekost. |
Voorbeelden
- Wat kost een kaartje?Veelgebruikte vraag.
- De kosten lopen op.Meervoud van kost.
- Kost wat het kost.Vaste uitdrukking: koste wat het kost, tegen elke prijs.
Kosten en kost
Het enkelvoud *kost* betekent ook eten en onderhoud, zoals in *kost en inwoning*. De uitdrukking *koste wat het kost* is geschreven met een werkwoordsvorm in de aanvoegende wijs. De prijs is wat iets kost, de waarde is wat het je waard is. Het werkwoord *kosten* in de zin van proeven hangt samen met smaak en wordt vooral in het zuiden gebruikt. Let op de spelling: in het enkelvoud schrijf je kost, zonder -en, ook als het over één bedrag gaat.
Is het kost of kosten?
Bij één bedrag gebruik je meestal kosten; kost wijst op voeding of onderhoud.
Wat betekent koste wat het kost?
Tegen elke prijs; het is een vaste uitdrukking.