Kaart: speelkaart, landkaart en nog veel meer
Een kaart is een stuk stevig papier of karton met een afbeelding of tekst, zoals een speelkaart, een landkaart of een menukaart. Het woord is de, met als meervoud kaarten.
Een kaart is in de basis een stuk stevig papier met iets erop. Het woord is zo veelzijdig dat je er een speelkaart, een landkaart en een bankpas mee kunt aanduiden. Welke bedoeld wordt, merk je meestal aan de context, en in de uitdrukkingen is de overdrachtelijke betekenis vaak sterker dan de letterlijke.
- Speelkaart. *Hij trok een harten aas uit het spel kaarten.*
- Landkaart of plattegrond. *Zoek de route even op de kaart.*
- Menukaart of lijst. *Mag ik de kaart even zien?*
- Toegangsbewijs of pasje. *Heb je al een kaartje, of koop je het aan de balie?*
- Onderdeel van een computer. *Mijn videokaart is te oud voor dit spel.*
Vormen van kaart
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de kaart | Geslacht: de-woord |
| Meervoud | kaarten | Twee kaarten |
| Verkleinwoord | kaartje | Een kaartje sturen |
| Samenstelling | landkaart | Een landkaart van Europa |
| Samenstelling | kaartspel | Een kaartspel kopen |
Kaart in de praktijk
- Leg je kaarten op tafel, dan weten we waar we aan toe zijn.Informeel; je zegt hiermee dat iemand openlijk moet zijn.
- De politie bracht de situatie goed in kaart.Uitdrukking met in kaart brengen: iets duidelijk uitzoeken en beschrijven.
- Hij zet alles op één kaart.Overdrachtelijk: hij waagt alles op één mogelijkheid.
Uitdrukkingen en herkomst
Het woord komt via het Frans (*carte*) van het Latijnse *charta*, 'blad papier'. Daarmee is kaart verwant aan het Engelse *card* en *chart*, en aan het Nederlandse *charter*. Bekende uitdrukkingen zijn *open kaart spelen* (eerlijk zijn), *de kaarten zijn geschud* (de uitkomst ligt vast) en *iemand in de kaart spelen* (hem onbedoeld helpen). Voor een kleiner exemplaar gebruik je het kaartje, en voor het dagelijkse nieuws op papier de krant, die ook ooit uit een stuk papier bestond.
Is kaart een de- of een het-woord?
Het is een de-woord: de kaart, de kaarten. Het verkleinwoord het kaartje is wel een het-woord.
Wat is het verschil tussen een kaart en een kaartje?
Het kaartje is kleiner of heeft vaak een praktische functie, zoals een treinkaartje of een verjaardagskaartje.