Immuun: beschermd tegen ziekte, kritiek of vervolging

Immuun betekent dat je niet vatbaar bent voor een ziekte, of dat iets je niet raakt. Ook bepaalde personen zijn immuun voor strafvervolging.

Wie immuun is, kan iets niet meer overkomen. Het woord komt van het Latijnse immunis, vrij van belasting of verplichting, en later vrij van een ziekte. Dat oude gebruik leeft nog voort in diplomatieke immuniteit.

Vormen

VormWoordOpmerking
BijvoeglijkimmuunBij een zelfstandig naamwoord: immune.
Zelfstandigde immuniteitStaat van bescherming.
SamenstellingimmuunsysteemAfweersysteem.
WerkwoordimmuniserenImmuun maken.
VoltooidgeïmmuniseerdHulpwerkwoord hebben.

Voorbeelden

Een woord met belastingroots

Dat immuun vroeger belastingvrij betekende, verrast. Daarna ging het over naar mensen die door een ziekte werden gespaard. Een vaccin maakt iemand immuun zonder dat die persoon de ziekte krijgt. Het woord kent het voltooid deelwoord geïmmuniseerd, met trema.

De Nederlandse pers gebruikte het woord immuun veel tijdens epidemieën, om uit te leggen wanneer bevolkingsgroepen veilig zijn. De term groepsimmuniteit werd zo bekend. Het afweersysteem herkent een ziekteverwekker en onthoudt hem, zodat een volgende besmetting meestal wordt afgeslagen.

Wat is het verschil tussen immuun en resistent?

Immuun is volledig beschermd. Resistent is bestand tegen, maar niet per se volledig.

Kun je immuun zijn voor kritiek?

Ja, figuurlijk. Je laat je er niet door raken.

Hoe schrijf je immuun voor een zelfstandig naamwoord?

Met een e: een immune patiënt, de immune cellen. Zonder lidwoord of na een het-woord met een blijft het immuun: een immuun kind.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 6 letters