Fit: in goede conditie, en hoe je het verbuigt

Fit betekent in goede lichamelijke conditie of gezond en energiek. Het is een leenwoord uit het Engels dat in het Nederlands alleen als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.

Fit is een van die woorden die zo vanzelfsprekend zijn gaan klinken dat niemand het meer als leenwoord ziet. Wie zich fit voelt, heeft energie, een gezond lichaam en vaak ook een goed humeur. In het Nederlands bestaat het woord alleen als bijvoeglijk naamwoord, anders dan in het Engels. Wie veel zwemt of loopt, blijft er meestal fit door.

Verbuiging en trappen van vergelijking

VormVoorbeeldOpmerking
Stellende trapfitHij is fit.
Verbogen vormfitteEen fitte man.
Vergrotende trapfitterFitter dan vorig jaar.
Overtreffende trapfitstZij is het fitst.
SamenstellingfitnesscentrumOok: fitheid (zeldzaam).

Fit in de praktijk

Valse vriend: fit en to fit

In het Engels betekent *to fit* ook passen, zoals in 'the shoes fit'. Dat betekent van het Nederlandse fit niets: een schoen 'past', hij is niet 'fit'. Het Engelse *fit* komt in het Nederlands alleen terug in de betekenis van conditie. Het woord is sinds de twintigste eeuw gangbaar, parallel aan de opkomst van fitness. Het tegenovergestelde is zwak of ongezond.

Is het fitter of meer fit?

Fitter. Het woord krijgt gewoon -er, net als andere korte bijvoeglijke naamwoorden.

Wat is de overtreffende trap?

Fitst, bijvoorbeeld 'de fitste van de groep'.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters