Zwemmen: hebben of zijn gezwommen?
Zwemmen is je door het water voortbewegen met je lichaam. Het is een sterk werkwoord: zwemmen, zwom, gezwommen.
Het werkwoord zwemmen lijkt simpel, maar kent een grammaticale valkuil. Je zwemt in het water, maar je bent naar de overkant gezwommen: het hulpwerkwoord hangt af van de betekenis. Het is bovendien een sterk werkwoord, dus de verleden tijd is *zwom* en niet *zwemde*.
- Je door het water voortbewegen. *Ze zwemt elke dag een uur.*
- Drijven of ergens in liggen. *De aardappels zwemmen in de saus.*
- Veel hebben van iets (figuurlijk). *Hij zwemt in het geld sinds de erfenis. Wie als dief rijk wordt, zwemt er ook in.*
- Er niets van begrijpen (spreektaal). *Na de derde vraag begon hij te zwemmen.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Infinitief | zwemmen | om te zwemmen |
| Tegenwoordige tijd | ik zwem, hij zwemt | bij je, jij: zwem je |
| Verleden tijd | zwom / zwommen | sterk werkwoord |
| Voltooid deelwoord | gezwommen | hebben of zijn |
| Hulpwerkwoord | hebben / zijn | hebben bij de activiteit, zijn bij richting |
Zwemmen in een zin
- We hebben vanochtend een uur gezwommen.Hebben: de activiteit zelf staat centraal.
- Hij is naar de overkant gezwommen.Zijn: er is een richting of doel.
- Ze zwom tegen de stroom in.Verleden tijd; ook figuurlijk te gebruiken.
Afkomst en verwant
Het woord gaat terug op het Protogermaanse *swimmaną* en is verwant met het Engelse *swim* en het Duitse *schwimmen*. Het zwembad en de zwemmer komen uit dezelfde stam. Veel uitdrukkingen gebruiken het beeld: tegen de stroom in zwemmen betekent tegen de algemene mening ingaan, en met de haaien zwemmen betekent je in een gevaarlijke omgeving bewegen.
Is de verleden tijd zwemde of zwom?
Zwom. Zwemde hoor je soms, maar het is geen standaardtaal. Het meervoud is wij zwommen.
Wanneer gebruik je zijn bij zwemmen?
Als er een richting of bestemming is: hij is naar de overkant gezwommen. Bij de activiteit gebruik je hebben: ze heeft gezwommen.