Zwemmen: hebben of zijn gezwommen?

Zwemmen is je door het water voortbewegen met je lichaam. Het is een sterk werkwoord: zwemmen, zwom, gezwommen.

Het werkwoord zwemmen lijkt simpel, maar kent een grammaticale valkuil. Je zwemt in het water, maar je bent naar de overkant gezwommen: het hulpwerkwoord hangt af van de betekenis. Het is bovendien een sterk werkwoord, dus de verleden tijd is *zwom* en niet *zwemde*.

Vormen

VormWoordOpmerking
Infinitiefzwemmenom te zwemmen
Tegenwoordige tijdik zwem, hij zwemtbij je, jij: zwem je
Verleden tijdzwom / zwommensterk werkwoord
Voltooid deelwoordgezwommenhebben of zijn
Hulpwerkwoordhebben / zijnhebben bij de activiteit, zijn bij richting

Zwemmen in een zin

Afkomst en verwant

Het woord gaat terug op het Protogermaanse *swimmaną* en is verwant met het Engelse *swim* en het Duitse *schwimmen*. Het zwembad en de zwemmer komen uit dezelfde stam. Veel uitdrukkingen gebruiken het beeld: tegen de stroom in zwemmen betekent tegen de algemene mening ingaan, en met de haaien zwemmen betekent je in een gevaarlijke omgeving bewegen.

Is de verleden tijd zwemde of zwom?

Zwom. Zwemde hoor je soms, maar het is geen standaardtaal. Het meervoud is wij zwommen.

Wanneer gebruik je zijn bij zwemmen?

Als er een richting of bestemming is: hij is naar de overkant gezwommen. Bij de activiteit gebruik je hebben: ze heeft gezwommen.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 7 letters