Dier: van mus tot mammoet
Een dier is een levend wezen dat niet tot de planten, schimmels of bacteriën behoort. Het woord staat ook tegenover mens.
Een dier is een meercellig levend wezen dat zich meestal kan voortbewegen en zijn voedsel zoekt. Het Engelse *deer* betekende vroeger gewoon ‘dier’, net als het Nederlandse woord dier, maar is later alleen ‘hert’ gaan betekenen. Een informeler woord is beest, een bekend voorbeeld is de ezel.
- Levend wezen. *Een dier in het bos.*
- Tegenover mens. *Mens en dier.*
- Figuurlijk: iemand zonder zelfbeheersing. *Hij gedroeg zich als een dier.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | het dier | Het dier is hongerig. |
| Meervoud | dieren | Wilde dieren. |
| Verkleinwoord | diertje | Een lief diertje. |
| Samenstelling | huisdier | Mijn huisdier is een kat. |
| Samenstelling | dierentuin | De dierentuin is open. |
Dier in een zin
- Het dier schrok van het geluid.Neutraal, aanduiding voor één dier.
- De dierentuin heeft veel zeldzame dieren.Meervoud op -en.
- Zo’n arm diertje.Het verkleinwoord geeft genegenheid of medelijden weer.
Een woord met een lange geschiedenis
- Herkomst. In het Middelnederlands en het Oudengels betekende het woord ‘wild dier’; het Engelse *deer* beperkte de betekenis later tot ‘hert’.
- Duits. *Tier* is er nauw mee verwant.
- Samenstellingen. *Huisdier*, *roofdier*, *zoogdier*, *dierenarts*, *kuddedier*.
- Verbinding met voeding. Wie *dierlijk* eet, eet producten van dieren; *plantaardig* is het tegenovergestelde.
Is het ‘het dier’ of ‘de dier’?
Het is een het-woord: *het dier*. Het meervoud is *dieren* en het verkleinwoord *diertje*.
Wat is het verschil tussen dier en beest?
*Dier* is neutraal en wetenschappelijk; *beest* klinkt informeler en kan ook als scheldwoord dienen.