Bluf is meer dan opscheppen: een woord dat uit het Nederlands reisde
Bluf is grootspraak of schijnvertoon: je doet je beter, sterker of zekerder voor dan je bent. Het hoort bij het werkwoord bluffen.
Bluf is de kunst van doen alsof: je laat meer zien dan je hebt, om anderen te misleiden of te imponeren. Het Engelse *bluff* is volgens woordenboeken ontleend aan het Nederlands, en keerde later als leenwoord via het pokerspel terug. Zo heeft dit korte woord een heen-en-terugreis gemaakt tussen twee talen.
- Schijnvertoon of grootspraak. *Zijn plan was niets dan bluf.*
- Misleiding in een spel. *Met pure bluf won hij de pot.*
- Overmoedig, brutaal optreden. *Ze hield haar bluf tot het einde vol.*
Vormen van het woord
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Zelfstandig naamwoord | de bluf | Dat is bluf. |
| Persoon | de bluffer | Hij is een bluffer. |
| Infinitief | bluffen | Niet bluffen! |
| Verleden tijd | ik bluf, hij blufte | Hij blufte zich eruit. |
| Voltooid deelwoord | gebluft (hebben) | Ze heeft gebluft. |
Zo gebruik je het in een zin
- Dat is allemaal bluf om indruk te maken.Informeel en kritisch: er zit niets achter.
- Hij bluft zich door elk sollicitatiegesprek heen.Het werkwoord *bluffen* is meestal wat ironisch bedoeld.
- Bij poker is bluf een gewone tactiek.Neutraal: bluffen hoort bij het spel.
Woorden met dezelfde sfeer
- *Bluffen* is het werkwoord; je kunt *iemand* bluffen of *bluffen met iets*.
- *Blufpoker* is een spel waarbij je een zwakke hand zo speelt dat het sterk lijkt.
- *Opscheppen* en *snoeven* zijn gewoner en hebben minder spelconnotatie.
- Een bink doet zich stoer voor, maar is niet per se een bluffer.
Is bluf een telbaar woord?
Nee, *bluf* is meestal niet-telbaar: je zegt *dat is bluf*, niet *een bluf*.
Wat is het verschil tussen bluf en leugen?
Bluf is opzettelijk de schijn ophouden, vaak in een spel of onderhandeling; een leugen is een uitspraak die je als waar presenteert.