Bluf is meer dan opscheppen: een woord dat uit het Nederlands reisde

Bluf is grootspraak of schijnvertoon: je doet je beter, sterker of zekerder voor dan je bent. Het hoort bij het werkwoord bluffen.

Bluf is de kunst van doen alsof: je laat meer zien dan je hebt, om anderen te misleiden of te imponeren. Het Engelse *bluff* is volgens woordenboeken ontleend aan het Nederlands, en keerde later als leenwoord via het pokerspel terug. Zo heeft dit korte woord een heen-en-terugreis gemaakt tussen twee talen.

Vormen van het woord

VormWoordVoorbeeld
Zelfstandig naamwoordde blufDat is bluf.
Persoonde blufferHij is een bluffer.
InfinitiefbluffenNiet bluffen!
Verleden tijdik bluf, hij blufteHij blufte zich eruit.
Voltooid deelwoordgebluft (hebben)Ze heeft gebluft.

Zo gebruik je het in een zin

Woorden met dezelfde sfeer

Is bluf een telbaar woord?

Nee, *bluf* is meestal niet-telbaar: je zegt *dat is bluf*, niet *een bluf*.

Wat is het verschil tussen bluf en leugen?

Bluf is opzettelijk de schijn ophouden, vaak in een spel of onderhandeling; een leugen is een uitspraak die je als waar presenteert.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters