Beet: een hap, een grip of de verleden tijd van bijten?

Beet is een hap of steek, of een grip op iets. Het is ook de verleden tijd van bijten: de hond beet. Niet te verwarren met biet.

Het woord beet doet dubbel werk: het is een hap of steek, en de verleden tijd van *bijten*. Wie iemand beet neemt, heeft hem niet gebeten maar voor de gek gehouden. De uitdrukking is ontstaan in de visserij, waar een vis die toehapt ‘beet’ geeft.

Vormen van het woord

VormWoordVoorbeeld
Zelfstandig naamwoordde beet, de betenTwee beten in het been.
Verkleinwoordhet beetjeWacht een beetje.
InfinitiefbijtenHonden bijten zelden.
Verleden tijdik beet, wij betenIk beet op mijn lip.
Voltooid deelwoordgebeten (hebben)Hij heeft me gebeten.

Zo gebruik je het in een zin

Beet, beetje en biet

Is het ‘beet’ of ‘biet’ voor de rode knol?

Het is *biet*; *beet* is de hap of de verleden tijd van bijten.

Waarom zeg je ‘beet hebben’?

Dat komt uit de visserij en het worstelen en betekent dat je het te pakken hebt, letterlijk of figuurlijk.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters