Zout: smaakmaker, mineraal en bijvoeglijk naamwoord
Zout is een wit mineraal dat voedsel smaak geeft, ook als bijvoeglijk naamwoord voor de smaak of voor water dat veel zout bevat.
Zout is zowel een stof als een eigenschap. Het is een van de weinige gewone woorden die je kunt gebruiken om te beschrijven wat er in je pan zit Γ©n hoe het smaakt. Als zelfstandig naamwoord is het een het-woord: het zout, zonder meervoud in de keuken.
- Wit mineraal dat smaak geeft. *Doe een snufje zout in de soep.*
- Bijvoeglijk: veel zout bevattend. *Zout water.*
- Scheikundig: verbinding van een zuur en een base. *Keukenzout is natriumchloride.*
- Figuurlijk: gewaagd of pikant. *Een zoute grap.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | het zout | het-woord |
| Meervoud | zouten | vooral in scheikunde |
| Verkleinwoord | zoutje | een knabbelhapje |
| Bijvoeglijk | zout β zouter β zoutst | onverbogen: zout; verbogen: zoute |
| Samenstellingen | zeezout, zoutvaatje, zoutkorrel | veelvoorkomend |
Zout in een zin
- De soep is te zout.Predicatief; zonder verbuiging.
- Een zoute haring is typisch Nederlands.Verbogen bijvoeglijk naamwoord; de e komt voor een de-woord.
- Zoutjes en kaas horen bij elk feestje.Verkleinwoord; hier knabbelhapjes.
Zout in uitdrukkingen en geschiedenis
- Zout op een slak leggen betekent haarkloven; wie dat doet, zoekt fouten die er nauwelijks zijn.
- Het zout der aarde is de goede, betrouwbare mensen; de uitdrukking komt uit het Nieuwe Testament.
- Zout was eeuwenlang kostbaar, en het woord *salaris* gaat terug op het Latijnse *sal* (zout).
- Zout hoort bij peper en zee.
Is zout een de- of het-woord?
Het is een het-woord: het zout.
Waarom wordt zout zout genoemd?
Het woord is een oud Germaans woord dat verwant is met Engels salt en Duits Salz.