Week: zeven dagen, maar ook 'zacht' en een verleden tijd
Een week is een periode van zeven dagen. Het is ook een bijvoeglijk naamwoord voor zacht en de verleden tijd van wijken.
Een week is een periode van zeven dagen die in Nederland en Vlaanderen op maandag begint. Het woord *week* kan daarnaast 'zacht' of de verleden tijd van 'wijken' zijn: drie woorden, één klank. Zo kan 'de week was week' een heel verhaal zijn.
- Periode van zeven dagen. *Volgende week ga ik op vakantie.*
- Zacht, niet hard (bijvoeglijk). *De bodem is week.*
- Verleden tijd van wijken. *Hij week niet van haar zijde.*
- Verwant: dag. Een week bestaat uit zeven dagen.
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Tijd | de week | Een mooie week. |
| Meervoud | weken | Twee weken. |
| Verkleinwoord | weekje | Een weekje weg. |
| Bijvoeglijk | week, weke | Een weke massa. |
| Verleden tijd | week | Hij week uit. |
Voorbeeldzinnen
- Over een week is het zover.Gewoon tijdgebruik.
- De boter is te week om te snijden.Bijvoeglijk gebruik.
- Hij week niet van mijn zijde.Verleden tijd van wijken; formeel of literair.
Week in week uit
- Week in week uit: voortdurend, eindeloos herhaald.
- Doordeweeks: op werkdagen, in tegenstelling tot het weekend.
- Weeknummer: de ISO-weken van 1 tot en met 52 of 53, veel gebruikt in Nederland en Vlaanderen.
- Een weekje weg: een korte vakantie.
- Het woord *week* komt van een Germaanse stam die 'wisselen' betekende, verwant aan Engels *week* en Duits *Woche*. Een maand is daarentegen oorspronkelijk aan de maan gekoppeld.
Begint de week op maandag of zondag?
In Nederland en Vlaanderen is maandag de eerste dag volgens de ISO-norm, al beginnen sommige kalenders met zondag.
Is 'week' hetzelfde als 'zacht'?
Nee. Het zijn aparte woorden die toevallig hetzelfde klinken en op dezelfde manier worden gespeld.