Teller: wie telt en het getal boven de breukstreep
Een teller is iemand of iets dat telt, zoals een kilometerteller. In een breuk is de teller het getal boven de streep; het getal eronder heet noemer.
Een teller telt, en dat is precies wat het woord zegt. In een breuk staat de teller bovenaan en vertelt hij hoeveel delen je hebt; de noemer onderaan vertelt hoe groot elk deel is. Daarnaast gebruik je het woord voor mensen en apparaten die iets tellen.
- Iemand die telt. *De teller stond bij de ingang van het stadion.*
- Meter of telwerk. *De teller van de gasmeter loopt door.*
- Getal boven de breukstreep. *In 3/4 is 3 de teller.*
- Persoon die stemmen of stukken telt. *De tellers controleerden de stembiljetten.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de teller | Altijd een de-woord. |
| Meervoud | tellers | Met -s. |
| Verkleinwoord | tellertje | Zeldzaam; vooral voor kleine meters. |
| Afleidingen | kilometerteller, tellen | Teller is afgeleid van tellen. |
Teller in een zin
- De teller van deze breuk is een even getal.Wiskundige taal, groep 6 en hoger op de basisschool.
- Zet de teller op nul voordat je vertrekt.Gewone omgangstaal; denk aan de kilometerteller.
- Het aantal bezoekers werd door de tellers genoteerd.Meervoud voor mensen die tellen.
Teller, noemer en breuk
De teller heeft een vast duo: de noemer. Samen vormen ze een breuk. Wie een breuk wil onthouden, kan aan de verhouding denken: de teller *telt* de delen, de noemer *noemt* hun soort. Het woord is verwant met tal en getal, want alles draait om het aantal.
Welk getal is de teller?
Het getal boven de streep. In 5/8 is 5 de teller en 8 de noemer.
Is teller een zelfstandig naamwoord?
Ja, afgeleid van het werkwoord tellen met de uitgang -er.