Een stoel om op te zitten, en een om aan te zagen
Een stoel is een meubel met rugleuning om op te zitten. Figuurlijk is het ook een baan of positie, zoals in iemand van zijn stoel stoten.
Een stoel is een meubel om op te zitten, met vier poten en een rugleuning. Wie aan iemands stoelpoten zaagt, ondermijnt zijn positie: de stoel is in het Nederlands ook een symbool voor een baan. Het woord heeft dus een letterlijke en een figuurlijke kant.
- Meubel om op te zitten. *Pak een stoel en kom erbij zitten.*
- Positie of ambt. *Hij verloor zijn stoel in de gemeenteraad.*
- Ontlasting (medisch). *Een normale stoelgang.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de stoel | een de-woord |
| Meervoud | stoelen | met -en |
| Verkleinwoord | stoeltje | kleine stoel |
| Samenstelling | stoelendans | spel met stoelen |
| Samenstelling | armstoel | stoel met armleuningen |
Voorbeelden in een zin
- Wil je op deze stoel zitten?Alledaags.
- Ze zetten hem de stoel voor de deur.Vaste uitdrukking: ontslaan of wegsturen.
- De dokter vroeg naar zijn stoelgang.Medisch en neutraal; stoelgang is de gebruikelijke term.
Stoel in vaste uitdrukkingen
- Aan iemands stoelpoten zagen. Zijn positie ondermijnen.
- Iemand de stoel voor de deur zetten. Wegsturen of ontslaan.
- Een elektrische stoel. Een Amerikaans executiemiddel.
- Zetel. In België zeg je ook zetel voor een stoel of bank in de woonkamer; een tafel en stoel horen bij elkaar.
- De Heilige Stoel. Het bestuur van de paus in Rome.
Wat is het verschil tussen stoel en zetel?
Een zetel is vaak een gevoerde stoel of bank; in België is zetel gewoner dan in Nederland.
Wat is stoelgang?
Het medische woord voor ontlasting of de gang naar het toilet.