Stage in het Nederlands: leren op de werkvloer, geen podium
Een stage is een periode van praktijkervaring bij een bedrijf of instelling als onderdeel van een opleiding. In Vlaanderen ook een sport- of vakantiekamp.
Een stage is een leerperiode in de praktijk. Wie stage loopt, leert het vak op de werkplek, vaak onder begeleiding, en rondt daarmee een opleiding af. Het woord komt uit het Frans en is niet hetzelfde als Engels *stage*, dat toneel of podium betekent.
- Praktijkperiode in een opleiding. *Ze loopt stage bij een ziekenhuis.*
- Kamp of cursus (Vlaanderen). *Mijn zoon doet een voetbalstage in de vakantie.*
- Beginperiode. *Een stage van enkele maanden voor je aanstelling.*
Vormen
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Lidwoord | de stage | een de-woord |
| Meervoud | stages | met -s |
| Persoon | stagiair | iemand die stage loopt |
| Werkwoord | stage lopen | liep stage, stage gelopen |
| Samenstelling | stageplaats | plek waar je stage loopt |
Voorbeelden in een zin
- Hij zoekt een stage bij een bank.Studententaal; neutraal.
- Mijn dochter doet een turnstage in augustus.Vlaams voor vakantiekamp; in Nederland zeg je sportkamp.
- De stagiair kreeg een eigen bureau.Stagiair is de gewone aanduiding voor wie stage loopt.
Valse vriend: stage
Voor een Engelstalige is *stage* een toneel, iets dat in het Nederlands podium heet. Het Nederlandse woord stage is geleend uit het Frans, waar het verblijf of leertijd betekent. Een podium staat dus op het toneel, terwijl een stage plaatsvindt bij een bedrijf of school. In Vlaanderen is de stage ook een korte vakantiecursus, zoals een tennis- of danstage. Een student kiest meestal een stageplaats die bij de studie past.
Is stage een de- of het-woord?
Het is de stage, meervoud stages.
Wat is het verschil tussen stage en werkervaring?
Een stage is onderdeel van je opleiding; werkervaring is alles wat je daarnaast of daarna aan werk hebt gedaan.