Smeren: van boter op brood tot 'hem smeren'
Smeren betekent een laagje van een zachte stof aanbrengen, zoals boter of zonnebrand. In spreektaal betekent 'hem smeren' ervandoor gaan.
Het werkwoord smeren kent een heel bereik, van het keukenblok tot de straat. Wie een boterham smeert, wil iets zachts gelijkmatig verdelen; wie 'm smeert, verdwijnt zo snel mogelijk. Beide betekenissen delen het idee van glijden.
- Een zachte stof uitspreiden. *Zij smeert boter op het brood.*
- Met olie of vet gladder maken. *Hij smeert de scharnieren met olie.*
- Ervandoor gaan (spreektaal). *Toen de politie kwam, smeerden ze 'm.*
- Omkopen. *Hij smeerde de ambtenaar.*
Vervoeging
| Vorm | Woord | Opmerking |
|---|---|---|
| Infinitief | smeren | hulpwerkwoord hebben |
| Tegenwoordige tijd | hij smeert | regelmatig |
| Verleden tijd | hij smeerde | enkelvoud op -de |
| Voltooid deelwoord | gesmeerd | ook: *het loopt gesmeerd* |
| Gebiedende wijs | smeer | zonder -t |
Zo gebruik je het
- Smeer je even wat zonnebrand op?Alledaags, vriendelijk verzoek.
- Het verloopt als gesmeerd.Figuurlijk: alles gaat vlot.
- We moeten smeren, de bus gaat zo.Informeel, gebruik van 'smeren' als wegrennen.
Samenstellingen en verwanten
Van het werkwoord zijn veel woorden afgeleid: *smeerolie*, *smeerkaas*, *smeergeld* (steekpenningen) en de scheldnaam *smeerlap*. Het woord *smeer* zelf betekent vet of vuil, wat laat zien dat 'smeren' en 'vies' dichtbij elkaar liggen. Het smeer werd eeuwenlang gebruikt voor dierlijk vet. In de volksmond hoor je ook *smeerboel* voor een rommelige situatie. De uitdrukking *iemand stroop om de mond smeren* betekent vleien om iets gedaan te krijgen. Het werkwoord is regelmatig, dus je hoeft geen onregelmatige vormen te onthouden.
Waarom zeggen we 'hem smeren'?
Het is een vorm van slang: weggaan alsof je gesmeerd wegglijdt.
Is het 'gesmeerd' of 'gesmeed'?
Gesmeerd bij smeren, gesmeed bij smeden.
Is 'hem smeren' beleefd?
Nee, het is spreektaal en past niet in een formele brief.