Partij: wie doet er mee, wat telt er en hoeveel?
Partij heeft veel betekenissen: een politieke groepering, een deelnemer in een geschil, een spelletje of een hoeveelheid waren.
Het woord partij is een kameleon. Het kan een politieke groep zijn, een tegenstander in een geschil, een spel of een hoeveelheid goederen. Wat ze verbindt is het Franse *partie*, 'deel', van *partir*, 'verdelen'. Wie een deel is van een groter geheel, is een partij. In een ruzie zijn er twee partijen, in een verkiezing tientallen. Ook op een markt of in de handel spreek je van een partij als een leverancier een grote hoeveelheid van hetzelfde product tegelijk verkoopt.
- Politieke partij. *Welke partij krijgt jouw stem?*
- Deelnemer aan een overeenkomst of geschil. *De partijen kwamen tot een akkoord.*
- Spel of wedstrijd. *We spelen een partij schaken.*
- Hoeveelheid goederen. *Er kwam een partij vers fruit binnen.*
Vormen
| Eigenschap | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de | de partij |
| Meervoud | partijen | de coalitiepartijen |
| Verkleinwoord | partijtje | een partijtje voetbal |
| Samenstelling | partijleider | de partijleider |
| Samenstelling | partijprogramma | het partijprogramma |
Partij in zinnen
- Beide partijen gaan in beroep.Juridisch, neutraal.
- Zullen we een partijtje kaarten doen?Het verkleinwoord klinkt gezellig.
- Zij kiest partij voor haar zus.Vaste uitdrukking: 'partij kiezen voor'.
Uitdrukkingen met partij
- Partij kiezen. Je aansluiten bij de ene kant in een conflict.
- Partij trekken van. Voordeel halen uit iets.
- Van de partij zijn. Meedoen of aanwezig zijn.
- Geen partij zijn voor. Te zwak zijn tegen iemand of iets.
Wat is het verschil tussen partij en partijtje?
Een partij is de algemene term voor een spel of wedstrijd, een partijtje is een informeel en gezellig spelletje, bijvoorbeeld voetbal in de pauze of kaarten aan tafel.
Wordt partij ook gebruikt voor feest?
In het Engels wel (party), in het Nederlands niet. Je zegt feest of feestje, en een partij is dan een groepering of een hoeveelheid.