Lui: een luie zondag of een stel gekke lui?
Lui is een bijvoeglijk naamwoord voor iemand die geen zin heeft om te werken. In spreektaal staat lui ook voor mensen, zoals in 'die lui'.
Het woord lui heeft een dubbele identiteit. Als bijvoeglijk naamwoord beschrijft het een gebrek aan energie, als zelfstandig naamwoord staat het voor mensen. Zo kan een lui iemand ook gewoon een groep zijn.
- Weinig actief of traag (bijvoeglijk naamwoord). *Een luie zondagmiddag.*
- Mensen (spreektaal, meervoud). *Die lui zijn gek.*
- Rustig, ontspannen. *Een luie stoel.*
Vormen
| Vorm | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Basisvorm | lui | Hij is lui. |
| Verbogen | luie | Een luie hond. |
| Vergrotende trap | luier | Hij is luier dan zijn broer. |
| Overtreffende trap | luist | Zij is de luiste van de klas. |
| Samenstelling | luiaard | De luiaard slaapt hoog in de boom. |
Lui in een zin
- Ik voel me lui na zo'n grote maaltijd.Neutraal; lui is vaak tijdelijk.
- Die lui van de buren maken weer herrie.Spreektaal; ‘die lui’ betekent ‘die mensen’.
- Hij is zo lui als de pest.Vaste vergelijking in spreektaal, overdreven bedoeld.
Een verrassende dubbelganger
De vergrotende trap van lui is luier, en dat is toevallig ook de vorm van het zelfstandig naamwoord luier voor babybroekjes. Dat leidt tot grappige zinnen: ‘Mijn baby is luier dan jouw baby.’ Let ook op de Franse klank: het Franse lui (‘hem, haar’) wordt anders uitgesproken en heeft geen verband met het Nederlandse lui. Het Nederlandse lui heeft dus geen enkele band met het Franse woord. Wie lui is, is overigens niet altijd moe: lui gaat over het willen, moe over het kunnen.
Is luiheid hetzelfde als moe zijn?
Nee. Luiheid is een gebrek aan zin, moe zijn is een gebrek aan energie.
Kan lui ook positief zijn?
Soms wel, in een luie stoel of een luie zondag, waar het rust betekent.