Huur: wat je betaalt en wat je krijgt

Huur is de vergoeding die je betaalt om een woning, ruimte of voorwerp tijdelijk te gebruiken. Het woord staat ook voor het gebruiken zelf.

Huur is de prijs die je betaalt voor het tijdelijk gebruik van iets dat van een ander is. Meestal denk je aan een woning, maar ook een auto, een zaal of een pak voor een feest kun je huren. Het woord staat bovendien voor de situatie zelf: *een huis in huur hebben.*

Vormen van huur

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde huurDe huur is hoog.
MeervoudhurenZelden gebruikt.
WerkwoordhurenIk huur een kamer.
Persoonhuurder, verhuurderDe huurder betaalt de huur.
Samenstellinghuurwoning, huurtoeslagHuurtoeslag aanvragen.

Huren en verhuren

Meer over huur

Let op: wie huurt, is de huurder en wie het pand uitleent, is de verhuurder. Beide partijen sluiten een huurovereenkomst. Dat de woorden zo op elkaar lijken, is niet toevallig. *Huren* is het Germaanse werkwoord voor 'in dienst nemen' en 'gebruiken'; dat is ook de bron van *huurling*. In Vlaanderen wordt een gehuurd huis soms een 'huurhuis' genoemd, terwijl de kosten daar ook wel 'de huurprijs' heten. Het tegenovergestelde van huren is kopen, waarbij het eigendom wel overgaat.

Is huur een zelfstandig naamwoord of een werkwoord?

Beide. De huur is het zelfstandig naamwoord; ik huur is de ik-vorm van huren.

Hoe zeg je het voltooid deelwoord?

Gehuurd, met een d. Je hebt een auto gehuurd, niet 'gehuurt'.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 4 letters