Helft: de ene van twee gelijke delen
De helft is een van de twee gelijke delen van een geheel, dus een tweede, 50 procent. Ook in sport spreek je van de eerste en tweede helft.
De helft is een eenvoudig begrip: een van twee gelijke delen. Het woord blijkt toch lastig bij de werkwoordsvorm: is het ‘de helft van de leerlingen is’ of ‘zijn’? Beide kunnen, afhankelijk van wat je benadrukt. Het woord ligt dicht bij een kwart of een ander deel.
- Een van twee gelijke delen. *De helft van de taart.*
- 50 procent. *De helft van de mensen stemde.*
- Wedstrijddeel. *In de tweede helft scoorde hij.*
- Partner (spottend). *Mijn betere helft.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Enkelvoud | de helft | de helft van het geld |
| Meervoud | helften | twee helften |
| Verkleinwoord | het helftje | een helftje van de pizza |
| Werkwoord | halveren | ze halveren de prijs |
| Bijvoeglijk | half | een halve liter |
Zo gebruik je het
- Ik heb de helft van het boek gelezen.Gewoon gebruik, met van en een hoeveelheid.
- De helft van de deelnemers is/zijn al vertrokken.Enkelvoud en meervoud van het werkwoord komen beide voor.
- Na de eerste helft stond het 1-0.Sporttaal; een helft is een speelhelft.
Helft, half en halve
Het woord is een afleiding van het bijvoeglijk naamwoord *half*. Een *halve* is een half exemplaar; een *helft* is het deel zelf. De uitdrukking *mijn betere helft* is geen taalfout: het is een spottende, vriendelijke aanduiding voor een partner. In de wiskunde is *halveren* het werkwoord erbij.
Is het 'de helft is' of 'de helft zijn'?
Beide zijn goed. Bij nadruk op het geheel past het enkelvoud, bij nadruk op personen het meervoud.
Wat is een helft in sport?
Een van de twee delen van een wedstrijd, bijvoorbeeld bij voetbal.