Deur: waar je doorheen loopt, en waar je tegenaan loopt
Een deur is een beweegbaar vlak waarmee je een opening in een muur kunt afsluiten of openen. Het woord wordt ook figuurlijk veel gebruikt.
De deur is een van de oudste vindingen van de woonomgeving. Wie met de deur in huis valt, zegt direct waar het op staat, zonder beleefd voorspel. Het woord heeft een verwant in het Engelse *door* en het Duitse *TĂŒr*, en wordt in het Nederlands zeer vaak figuurlijk gebruikt.
- Beweegbare afsluiting. *De deur klemt.*
- Toegang of mogelijkheid. *Een deur naar nieuwe kansen.*
- Voertuigdeur. *De deur van de auto.*
- Afdekking of klep. *De deur van het kastje.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de deur | De deur staat open. |
| Meervoud | deuren | Alle deuren zijn dicht. |
| Verkleinwoord | deurtje | Een deurtje in de kast. |
| Samenstelling | voordeur | Bel aan bij de voordeur. |
Deur in een zin
- Doe de deur dicht, het tocht.Dagelijks, een korte instructie.
- Hij viel met de deur in huis.Vaste uitdrukking; âin huisâ blijft staan, zonder lidwoord.
- Het project staat voor de deur.Betekent: het gaat binnenkort gebeuren.
Uitdrukkingen met deur
- Open deuren intrappen is iets zeggen wat iedereen al weet.
- Iemand de deur wijzen betekent hem of haar wegsturen.
- Achter gesloten deuren wil zeggen: niet openbaar.
- Een deur is nauw verwant aan een poort en aan een ingang.
- Deuren kunnen draaien, schuiven of vouwen; een draaideur draait rond een as in het midden.
Is het âde deurâ of âhet deurâ?
Altijd *de deur*. Het meervoud is *deuren* en het verkleinwoord *deurtje*.
Waarom âvoor de deur staanâ?
Je zegt dat om te tonen dat iets nadert, net als iemand die al bijna binnenkomt.