Seizoen, jaargetijde en meer
Een seizoen is een van de vier jaargetijden, of een vaste periode voor een activiteit zoals het voetbalseizoen of de nieuwe reeks van een televisieserie.
Een seizoen is een deel van het jaar met eigen kenmerken. Het woord gaat terug op Latijn satio, het zaaien, en betekende dus oorspronkelijk de tijd waarin je moest zaaien. Via het Frans saison kwam het in het Nederlands terecht.
- Een jaargetijde. *Na de winter volgt het lenteseizoen.*
- Periode voor een activiteit. *Het voetbalseizoen begint in augustus.*
- Een reeks afleveringen. *Het tweede seizoen van de serie verschijnt volgende week.*
Vormen en samenstellingen
| Vorm | Woord | Toelichting |
|---|---|---|
| Enkelvoud | het seizoen | Het-woord. |
| Meervoud | de seizoenen | Gewoon -en. |
| Verkleinwoord | het seizoentje | Zelden gebruikt. |
| Samenstelling | hoogseizoen | Drukste periode. |
| Samenstelling | seizoensarbeid | Werk dat bij een bepaalde tijd van het jaar hoort. |
Zo gebruik je het in een zin
- In het hoogseizoen zijn de hotels vol.Over toerisme.
- Het nieuwe seizoen van de eredivisie begint morgen.Sport; seizoen blijft enkelvoud met het.
- Hij werkt in de zomer als seizoensarbeider op de camping.Samenstelling met tussen-s.
Spelling van seizoen
Het woord wordt vaak foutief gespeld, omdat de uitspraak (zei-ZOEN) niet direct op de letters lijkt. De juiste spelling is seizoen: ei, dan zoen. Het Franse saison heeft een z in het midden, en die bleef behouden. In Nederland spreek je van vier seizoenen, in de tropen eerder van een regenseizoen en een droog seizoen. In samenstellingen is *seizoensarbeid* de gangbare vorm, met tussen-s.
Hoe schrijf je seizoen correct?
Met ei en z: seizoen. De spelling volgt het Franse saison.
Is seizoen een de- of een het-woord?
Een het-woord: het seizoen, de seizoenen.