Schort: de voorkant die vuil opvangt
Een schort is een kledingstuk dat je voor je lijf bindt om je kleren te beschermen tegen vuil, bijvoorbeeld bij het koken of schilderen.
Een schort hoort bij de bakker, de kok en de schilder. Het vangt de vlekken op, zodat de kleren eronder schoon blijven. Het woord heeft nog een tweede leven in de uitdrukking *wat schort eraan?*, die met het kledingstuk niets te maken heeft.
- Beschermend kledingstuk. *Ze deed een schort voor om te koken.*
- Werkkleding. *De slager draagt een witte schort.*
- Kinderschort. *De kleuter droeg een schort bij het knutselen.*
Vormen
| Kenmerk | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de | de schort |
| Meervoud | schorten | twee witte schorten |
| Verkleinwoord | schortje | een schortje voor de kleine |
| Samenstelling | keukenschort | een keukenschort |
| Samenstelling | schortjas | een schortjas |
Schort in een zin
- Doe een schort voor, anders krijg je vlekken.Gebiedende wijs, huiselijk.
- De kokkin bond haar schort vast.Beschrijvend, in de keuken.
- Wat schort er aan?Een vaste uitdrukking: wat is er mis?
Wat schort eraan?
Het woord *schort* is ook een werkwoordsvorm van *schorten*, en dat is een heel ander woord. Het werkwoord betekent 'ontbreken' of 'niet in orde zijn' en komt vooral voor in de vraag *wat schort er aan?* of in *daar schort het aan*. Een rok of kleed wordt anders gedragen, want een schort heeft geen mouwen en meestal een borststuk. Bij oude ambachten hoorde de schort bij het beroep: de smid droeg leer, de kok droeg wit linnen.
Wat is een voorschoot?
Een ander, ouder woord voor schort. Het wordt ook in Vlaanderen gebruikt.
Wat betekent wat schort eraan?
Wat is er mis of wat ontbreekt er? Het werkwoord schorten betekent hier 'niet in orde zijn'.