Een reis maken: wat betekent reis en hoe gebruik je het?
Een reis is een verplaatsing naar een andere plaats, vaak over een grotere afstand, voor vakantie, werk of avontuur.
Een reis begint met een vertrek. Het woord geeft aan dat je van je vertrouwde plek weggaat om ergens anders te komen, of het nu een weekend is of een jaar. In het Nederlands gebruik je het voor vakantie, werk en verhuizing.
- Verplaatsing naar elders. *Een reis naar Italië.*
- Vaart of tocht (zee). *De reis duurde twee weken.*
- Figuurlijke levensreis. *De reis door het leven.*
- Keer (verouderd). *Deze reis lukt het hem.*
Vormen
| Vorm | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lidwoord | de reis | De reis was lang. |
| Meervoud | reizen | Twee reizen. |
| Verkleinwoord | reisje | Een reisje naar Gent. |
| Werkwoord | reizen | Wij reizen morgen. |
| Samenstelling | reisverzekering | Een reisverzekering afsluiten. |
Zo gebruik je het
- Goede reis!Een vaste afscheidsgroet.
- We maken in de zomer een reis door Zuid-Europa.Neutraal; *een reis maken* is de gangbare verbinding.
- Ze zijn op reis.Zonder lidwoord; ze zijn niet thuis.
Reis, reizen en de Germaanse wortel
Het woord reis hoort bij een Germaanse stam die 'opstaan' en 'vertrekken' betekent. Wie op reis gaat, staat figuurlijk op en trekt weg; wie *reist* (met t), vormt de persoonsvorm van reizen: hij reist. de stam is ook de basis van het Engelse *rise*. Een ander woord voor een kortere verplaatsing is tocht, en je gebruikt het vaak voor een dagtocht of uitstapje.
Wat is het verschil tussen reis en tocht?
Een tocht is vaak korter of avontuurlijker; een reis kan elke verplaatsing zijn.
Wat is het meervoud van reis?
Reizen.