Pastoor: de herder van een katholieke parochie

Een pastoor is een katholieke priester die een parochie leidt. Het woord komt van het Latijnse pastor, 'herder'.

De pastoor is een herder voor zijn gemeente. Het woord komt van het Latijnse *pastor*, en dat betekent letterlijk 'herder'. Zo ziet de kerk de leider van een parochie: als iemand die zijn schapen verzamelt en beschermt.

Vormen en samenstellingen

VormWoordOpmerking
Lidwoordde pastoorMeervoud: pastoors.
VerkleinwoordpastoortjeEen jonge pastoor.
SamenstellingpastoorsrolOok: dorpspastoor, aalmoezenier.
VerwantpastoraalBijvoeglijk naamwoord.

Pastoor in een zin

Pastoor, priester en dominee

Een pastoor is een katholiek priester met een eigen parochie; een *priester* is de bredere term voor wie gewijd is. Protestanten kennen geen pastoor maar een dominee. In Vlaanderen is *pastoor* nog gewoon gebruikt voor de plaatselijke priester, ook waar steeds minder parochies een eigen pastoor hebben. De Latijnse herkomst zit ook in *pastoraal* (zielzorg) en in *pastorie*, het huis van de pastoor. Het hoofd van een klooster heet daarentegen overste.

Is een pastoor een priester?

Ja, maar niet iedere priester is pastoor: alleen wie een parochie leidt.

Mag een pastoor trouwen?

In de rooms-katholieke Kerk niet; in andere kerken heet de voorganger anders.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 7 letters