Kap: van hoofddeksel tot dakkap, en kappen zelf

Een kap is een hoofdbedekking, een afdekking of een dak boven iets. Het werkwoord kappen betekent omhakken of ophouden met iets.

Een kap bedekt, beschermt of verbergt. Wie iets 'op zijn kap neemt', neemt de verantwoordelijkheid, en dus ook de schuld, op zich. Het woord heeft meerdere gebruiken: de kap van een jas, de kap van een lamp, de dakkap van een huis. Van het zelfstandig naamwoord is ook een werkwoord afgeleid: bomen kappen. Een kapper knipt haar en kapt geen bomen.

Vormen van kap

VormWoordVoorbeeld
Lidwoordde kapDe kap is groen.
MeervoudkappenNieuwe kappen.
VerkleinwoordkapjeEen kapje van de pen.
WerkwoordkappenIk kap ermee.
SamenstellingmotorkapOok: lampenkap, dakkap.

Kap in zinnen

Kappen en kap

Het werkwoord *kappen* heeft betekenissen die ver uit elkaar liggen. Je kapt bomen in het bos, maar je kapt ook met een baan of een ruzie. 'Ik kap ermee' is duidelijk spreektaal. Een kapsel is dan weer iets geheel anders: het haar dat een kapper knipt. Ook de betekenis 'kapje' voor een afdekking van een pen of een fles is heel gewoon.

Is kap een de- of het-woord?

De kap, meervoud kappen.

Wat betekent 'kap ermee'?

Stop ermee, houd op.

Bronnen

WhatsAppXTelegramFacebook

Meer woorden van 3 letters